Rijd door een willekeurige Nederlandse nieuwbouwwijk en je ziet overal hetzelfde. Witte kubussen, gladde gevels, strakke kozijnen, alles zo minimaal mogelijk. Ik dacht lang dat dit gewoon de smaak van onze tijd was, maar de laatste maanden zie je steeds meer architecten een andere kant op bewegen. Versierde gevels zijn terug. Reliëf in de baksteen, patronen die spelen met het licht, details die je pas van dichtbij ziet. Het lijkt klein, maar het verandert hoe een straat aanvoelt.
Van versiering naar niks en weer terug
De witte gevel is geen toeval. In de decennia na de oorlog moesten er in rap tempo veel huizen komen, en architecten grepen naar het meest efficiënte ontwerp dat ze konden bedenken: glad pleisterwerk, rechte lijnen, zo min mogelijk afwerking. Goedkoper, sneller, modern. In de jaren negentig en nul kwam daar nog een laag overheen: het wereldwijde minimalisme van glas, beton en wit stucwerk. Eén blik op Instagram en je zag in Kopenhagen, Rotterdam en Barcelona hetzelfde huis staan.
Dat tijdperk kantelt. Tijdschriften als Livingetc en Dezeen noemen het voor 2026 met zoveel woorden: versiering keert terug in de architectuur. Niet als vrolijke kitsch, maar als zorgvuldig ambacht. Gevels met patronen in baksteen. Terracotta tegels als huid van een gebouw. Metselwerk waarin de stenen zelf draaien, vouwen en schaduw maken.
Wat architecten nu met baksteen doen
Het interessante zit in het detail. Architecten laten metselaars, of tegenwoordig ook robots, elke steen een paar millimeter draaien of verschuiven, waardoor het oppervlak plooit en glooit als een gordijn. Ze gebruiken speciaal gevormde profielstenen die uitsteken en weer terugliggen, zodat de gevel in de ochtendzon compleet anders oogt dan tegen de avond. Corbelling heet dat in de vaktaal, maar het komt neer op spelen met dezelfde bouwsteen om een ritme te maken.
In Londen leverde een bureau recent Royalty Studios op: een bakstenen gevel die om zichzelf vouwt, geïnspireerd op negentiende-eeuws lijstwerk maar uitgevoerd met moderne techniek. Dichter bij huis zie je iets vergelijkbaars in stadsprojecten in Amsterdam-Oost en Utrecht, waar ontwerpers experimenteren met gemetselde reliëfs die bewust niet glad willen zijn. Dat sluit aan op de manier waarop architecten weer voor kleinere raamopeningen kiezen, want hoe kleiner het raam, hoe meer ruimte overblijft voor een gevel die iets vertelt.
Waarom deze omslag nu komt
Drie dingen komen tegelijk samen. Het eerste is simpele vermoeidheid. Als je dertig jaar lang alleen maar wit stucwerk ziet, wordt het saai. Mensen verlangen naar gebouwen waar je iets aan kunt aflezen, die karakter hebben, waar je langzaam langs wilt lopen in plaats van snel langs fietsen.
Het tweede is duurzaamheid. Een bakstenen gevel gaat honderd jaar mee. Wit pleisterwerk heeft veel vaker onderhoud nodig en ziet er na tien jaar grijs en vlekkerig uit. Nu de bouwkosten hoog zijn en klimaatbeleid scherper wordt, kijken ontwerpers steeds vaker naar materialen die lang meegaan zonder chemische behandelingen. Dat past in een bredere verschuiving die je ook terugziet bij de keuze voor hout, stro en hennep in nieuwe woningen.
Het derde is techniek. Waar gedetailleerd metselwerk vroeger bijna onbetaalbaar was omdat het met de hand moest, leggen bouwrobots en prefab-systemen nu patronen die mensen nauwelijks meer kunnen. Ornament wordt daardoor opeens weer haalbaar binnen een normaal budget.
Waarom dit in Nederland extra voelbaar is
We hebben een van de rijkste geveltradities van Europa. Denk aan de grachtenpanden met hun trapgevels en halsgevels, de late negentiende-eeuwse bakstenen wijken in Amsterdam en Rotterdam, en vooral de Amsterdamse School uit de jaren twintig. Die stroming gebruikte baksteen als beeldhouwmateriaal: golvend, plooiend, met uitstulpende details boven deuren en ramen. Het is geen toeval dat juist die wijken vandaag de dag zeer geliefd zijn.
De afgelopen zeventig jaar was die traditie vrijwel verdwenen uit de nieuwbouw. Architecten waren bang om romantisch of ouderwets te lijken. Nu dat stigma eraf valt, kunnen Nederlandse ontwerpers weer teruggrijpen op hun eigen vocabulaire. Dat merk je aan projecten in Amsterdam-West, waar nieuwe appartementencomplexen expliciet verwijzen naar de Amsterdamse School, maar dan met moderne isolatiewaarden en grote daglichtopeningen.
Wat dit betekent als je gaat (ver)bouwen
Bouw je zelf, of sta je op het punt te verbouwen, dan loont het om met je architect eens door te praten over de gevel. Een vlakke, witgepleisterde buitenkant is nog altijd goedkoper in aanschaf, maar drie dingen zijn veranderd.
- Baksteen met reliëf hoeft niet duur te zijn. Leveranciers hebben lijnen met speciaal gevormde stenen die je in een normaal metselwerkpatroon kunt verwerken, zonder dat de uurprijs van de metselaar explodeert.
- Het betaalt zich terug in de waarde van je huis. Taxateurs letten steeds vaker op gevelkwaliteit, omdat kopers gevoelig worden voor hoe een woning er op straatniveau uitziet.
- Het weerhoudt je niet van een modern interieur. Een klassiek aandoende gevel en een strakke binnenkant sluiten elkaar allang niet meer uit. Dat zie je trouwens ook binnenshuis terugkeren, bijvoorbeeld waar de muur tussen keuken en woonkamer opnieuw opduikt en vormen weer iets mogen zeggen.
De witte kubus zal niet ineens uit het straatbeeld verdwijnen. Maar de volgende generatie nieuwbouwwijken gaat er merkbaar anders uitzien, en dat is lang niet slecht nieuws.