Architectuur

Steeds meer nieuwe woningen zijn eigenlijk oude kantoren

· 6 min leestijd

Ergens in Leiden woont een gezin op de derde verdieping van wat ooit een meelfabriek was. Boven hun hoofd lopen nog de gietijzeren kolommen die honderd jaar geleden de meelzakken droegen. Wat vroeger een industriehal was, is nu een loft met een plafond van bijna vier meter hoog. En dat gezin staat niet alleen: steeds meer Nederlanders wonen in een gebouw dat oorspronkelijk nooit voor bewoning was bedoeld.

Terwijl nieuwbouw maar mondjesmaat op gang komt, kijken projectontwikkelaars steeds vaker naar wat er al staat. Een oud kantoor, een verlaten fabriekshal of een leegstaand pakhuis wordt zonder sloophamer omgebouwd tot woonruimte. Vastgoedtransformatie heet dat in vakjargon, en het levert jaarlijks duizenden nieuwe huizen op zonder dat er ergens een nieuwe fundering wordt gestort.

Waarom lege kantoren opeens de nieuwe bouwlocatie zijn

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kwamen er afgelopen jaar ruim 10.200 woningen bij via transformatie van bestaande panden, tegenover 12.500 het jaar daarvoor. Dat is een daling, en dat is ook precies wat de NOS erover meldt. Toch gaat het nog steeds om duizenden huizen die verschijnen zonder dat er nieuwbouwgrond voor nodig is. Ruim acht procent van alle Nederlandse kantoren staat leeg, blijkt uit cijfers van vastgoedadviseur Cushman & Wakefield, en een flink deel daarvan ligt in gebieden waar wonen als hoofdbestemming al is toegestaan.

De reden dat de groei afvlakt is simpel: de makkelijkste panden zijn al omgebouwd. Wat overblijft, zijn kantoren die te dicht bij een snelweg liggen, te weinig daglicht binnenlaten of gewoon op de verkeerde plek staan. Transformatie wordt daardoor specialistischer werk, maar allerminst minder relevant voor de woningmarkt.

Van fabriekshal tot loft, de mooiste voorbeelden

De meest sprekende voorbeelden vind je niet in kantoren, maar in oude industriegebouwen. In Leiden verandert De Meelfabriek stap voor stap in een woonwijk met loft- en penthouseappartementen. Het Ketelhuis, een rijksmonument uit 1894 met gietijzeren kolommen en gewelfde plafonds, wordt straks bewoond alsof het nooit anders is geweest, compleet met warmtepomp en vloerverwarming.

In Den Haag ging een negentiende-eeuwse koetsfabriek aan de Nieuwe Schoolstraat al eerder over in een stadsvilla. In Rijen wordt een leerlooierij uit 1928 omgebouwd tot zestien appartementen, en in het Brabantse Standdaarbuiten verandert een suikerpakhuis in 44 woningen. Stuk voor stuk gebouwen die nooit als woonhuis waren bedoeld, maar wel de bouwkundige kwaliteit hebben om er eentje te worden: hoge plafonds, dikke muren en veel raamoppervlak.

Wat een transformatiewoning anders maakt in huis

Wonen in een getransformeerd pand voelt anders dan in een nieuwbouwwoning, en dat begint al bij de plattegrond. Fabriekshallen zijn vaak één grote open ruimte zonder dragende binnenmuren, wat een heel andere indeling toelaat dan de standaard rijtjeswoning. Gietijzeren kolommen, stalen liggers en ruwe betonvloeren blijven meestal zichtbaar, simpelweg omdat ze te duur zijn om weg te werken en te mooi om te verstoppen.

Dat industriële karakter vraagt om een andere aanpak in het interieur. Een stalen binnendeur voelt in zo'n ruimte niet als statement, maar als logisch vervolg op wat er al staat, zoals we ook zagen bij de opmars van de stalen binnendeur. Om een fabriekshal niet kil te laten aanvoelen, grijpen bewoners vaak naar zachte materialen: een dik wollen vloerkleed, linnen gordijnen tot op de grond en vooral veel textuur op plekken waar vroeger alleen beton en staal te vinden waren. Warme metalen zoals messing en brons breken het grijs van beton net iets zachter dan chroom dat ooit deed, een verschuiving die ook in gewone woonkamers al zichtbaar is.

De duurzaamheidswinst die niemand hardop noemt

Transformatie wordt meestal verkocht als praktische oplossing voor het woningtekort, maar de duurzaamheidswinst is minstens zo groot. Hergebruik van een bestaand casco veroorzaakt dertig tot vijftig procent minder CO2-uitstoot dan slopen en vervolgens nieuw bouwen. Er hoeft geen nieuw beton gestort te worden, geen nieuwe fundering aangelegd, en de bakstenen, kolommen en balken die er al staan hoeven niet als puin te worden afgevoerd.

Voor gemeenten is dat een extra argument om transformatie te stimuleren naast de woningnood zelf. Eigenaren van leegstaand vastgoed kunnen terecht bij het Nationaal Transformatie Loket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, juist omdat elk getransformeerd pand een stuk nieuwbouwgrond bespaart die anders aangesneden zou moeten worden.

Waar je op moet letten voordat je in een oud kantoor gaat wonen

Niet elk transformatiepand is een verborgen droomhuis. Daglicht is de grootste valkuil: een kantoorvloer die is ontworpen voor bureaus heeft zelden evenveel raamoppervlak als voor bewoning verplicht is, waardoor lang niet elk pand geschikt blijkt. Vraag bij aankoop altijd naar de daglichtberekening en naar de akoestische isolatie tussen verdiepingen, want betonnen vloeren geleiden geluid heel anders dan de houten balklagen waar de meeste Nederlandse woningen op zijn gebouwd.

Bij een rijksmonument, zoals het Ketelhuis in Leiden, komt daar nog bij dat je te maken krijgt met een vergunningsplicht voor bijna elke wijziging aan gevel of draagconstructie. Dat klinkt beperkend, maar het is ook precies de garantie dat de gietijzeren kolommen en de gewelfde plafonds over twintig jaar nog intact zijn. Wie voor een transformatiewoning kiest, koopt niet alleen een huis, maar ook een stuk industriële geschiedenis die nergens anders meer te vinden is.

T
Geschreven door Thomas Akkerman Bouw & renovatie schrijver

Thomas is aannemer van beroep en schrijft met de kennis van iemand die al honderden woningen van binnen heeft gezien, inclusief de muren waar je liever niet achter kijkt. Hij legt bouwkundige zaken uit zonder jargon omdat hij vindt dat elke Nederlander zou moeten weten wat een vochtweringlaag is en waarom je er een wilt. Zijn artikelen lezen als een gesprek met die ene handige vriend die je altijd belt als er iets stuk is, alleen dan beter onderbouwd. Hij begon met schrijven nadat hij voor de zoveelste keer een klant moest uitleggen waarom goedkoop uit soms dubbel betalen is. Zijn meest controversiële mening: de meeste klusprogramma's op tv zijn entertainment, geen instructie. In het weekend vind je hem op de bouwmarkt, niet omdat hij iets nodig heeft, maar omdat hij het er gewoon naar zijn zin heeft.